Direct naar inhoudDirect naar contactgegevens

Onderzoek en Statistiek

‘Een betere geest in de ziekenhuizen’

Het Binnengasthuis, het Prinsengrachtziekenhuis, het Luthers Diaconessen-Ziekenhuis. Allemaal Amsterdamse ziekenhuizen die nu niet meer bestaan, maar waar veel inwoners in de negentiende en twintigste eeuw geboren werden, een hartfilmpje lieten maken of een scoliosekorset kregen (tegen ruggengraatsverkromming). De zorg en de ziekenhuizen veranderden in deze tijd drastisch. Wat is daarover te vinden in de oude jaarboeken van Onderzoek en Statistiek?

Ziekenzaal in het Wilhelmina Gasthuis, 3 april 1905. Bron: Stadsarchief Amsterdam

Ziekenhuizen zoals we die nu kennen, bestaan nog niet zo heel lang. Tot ver in de negentiende eeuw laten rijke mensen zich thuis verplegen. Alleen mensen die dat niet kunnen betalen gaan naar de zogenaamde gasthuizen als ze ziek zijn.

Vanaf de tweede helft van die eeuw ontwikkelt de medische wetenschap zich snel. De ziekenhuizen worden professioneler. Wie zorg nodig heeft, gaat naar het ziekenhuis; allerlei nieuwe medische behandelingen kunnen alleen daar plaatsvinden.

Lange tijd heeft Amsterdam twee grote ziekenhuizen gehad: het Binnengasthuis en het Buitengasthuis, vanaf 1891 het Wilhelmina Gasthuis. Maar in de tweede helft van de negentiende eeuw komen er veel nieuwe bij. Zo opent in 1857 het ziekenhuis aan de Prinsengracht en in 1865 het Kinderziekenhuis, later het Emma Kinderziekenhuis. Ook opent in 1898 het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis (OLVG) zijn deuren.

In dagblad De Tijd van 16 oktober 1898 staat een uitgebreide beschrijving van het dan splinternieuwe Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. De krant schrijft over alle moderniteiten die in het ziekenhuis aanwezig zijn: de ‘zeer groote hydraulisch-elektrisch werkende lift’, de ‘stopcontacten aan de muren voor ’t verbinden van kleine electromotoren of van kleine lampjes’ in de operatiekamer, de ‘waschbekkens voor warm en koud water’, de verlichting in de zalen ‘door 5 gloeilichten ieder sterk 16 kaarsen’ en de ‘microscopiseertafel’.

In de twintigste eeuw worden ziekenhuizen steeds belangrijker. Door allerlei nieuwe technieken kunnen zij patiënten steeds vaker en beter behandelen. Ziekenhuizen bieden bovendien gespecialiseerde zorg.

In de oude jaarboeken van de voorgangers van Onderzoek en Statistiek zien we dat de gemiddelde verpleegduur per patiënt in de loop van de twintigste eeuw flink is afgenomen. In 1900 worden patiënten in de Amsterdamse ziekenhuizen gemiddeld 43,0 dagen opgenomen. Honderd jaar later, in 2000, is dat nog maar 11,8 dagen.

Tijdens een vergadering van de Geneeskundige Vereeniging tot bevordering van het Ziekenhuiswezen beschrijft dr. J.L.C. Wartman, directeur van het Amsterdamse Tesselschade-Ziekenhuis, de ontwikkelingen van de ziekenhuizen in de eeuwen daarvoor:

Door betere ziekenverpleging kwam een betere geest in de ziekenhuizen, maar de groote opleving is te danken aan de vlucht, die de geneeskunde de laatste 50 jaren genomen heeft. Dientengevolge is het ziekenhuis een medische instelling geworden met een technisch specialistisch bedrijf. Was in den aanvang der nieuwe periode de verbetering der hygiënische structuur voor de moderne ziekenhuizen hoofdzaak, in den laatsten tijd beheerscht de gespecialiseerde geneeskunde het ziekenhuisbeeld.

Steeds meer zorg vindt plaats in ziekenhuizen en het aantal ziekenhuisbedden groeit. Tot ongeveer 1930 neemt het aantal bedden in Amsterdam toe, net als in heel Nederland. Daarna daalt het aantal bedden in de stad lichtelijk tot 1945, om vervolgens weer langzaam toe te nemen. Het gevolg is dat er in 1930 ongeveer evenveel Amsterdamse ziekenhuisbedden zijn als in 1960. Landelijk verdubbelt het aantal bedden in die periode.

Het gevolg daarvan is ook dat het aandeel Amsterdamse bedden ten opzichte van het totaal aan Nederlandse bedden tot halverwege de jaren zestig steeds kleiner wordt. Waar in 1925 nog ruim 20 procent van de Nederlandse ziekenhuisbedden in Amsterdam staat, is dat in 1965 nog maar 8 procent.

Nog meer ziekenhuizen

Wat opvalt in bovenstaande grafieken zijn de twee periodes van snelle stijging van het aantal Amsterdamse ziekenhuisbedden. De eerste is tussen 1965 en 1969. Dat komt vooral doordat er in die periode meerdere nieuwe ziekenhuizen hun deuren openen. Zo opent in 1966 het VU-ziekenhuis, dat in de jaren daarna steeds meer bedden krijgt.

Het VU-ziekenhuis is bij elkaar gespaard door de Vrouwen VU-hulp. Vrouwen uit de gereformeerde achterban van de Vrije Universiteit stoppen hun overgebleven huishoudgeld in hun ‘VU-busje’. Zestien jaar eerder, in 1950, is dankzij de Vrouwen VU-hulp de faculteit geneeskunde van de VU al opgericht.

Daarnaast openen in 1966 het Ziekenhuis Amsterdam-Noord, later opgegaan in het BovenIJ Ziekenhuis, en het Sint Lucas ziekenhuis aan de Jan Tooropstraat. Ten slotte opent in 1969 ook nog het Andreas Ziekenhuis zijn deuren.

Nog opvallender is de plotselinge toename van het aantal ziekenhuisbedden begin jaren negentig: tussen 1991 en 1992 komen er ineens meer dan duizend bij. Dat is een toename van bijna 20 procent. Het is het gevolg van de opening van het Psychiatrisch Ziekenhuis Amsterdam en de Frederik van Eeden Stichting.

Dat zorgt ook voor een flinke sprong in het totaal aantal verpleegdagen. Een verpleegdag is een dag waarop een patiënt is opgenomen in het ziekenhuis. Er zijn in 1992 bijna 25 procent meer verpleegdagen dan in 1991. Opvallend genoeg neemt het aantal opgenomen patiënten in Amsterdam slechts met 6 procent toe.

Hoe komt dat? Het Psychiatrisch Ziekenhuis Amsterdam en de Frederik van Eeden Stichting zijn alle twee psychiatrische ziekenhuizen. Die hebben over het algemeen een langere verpleegduur per patiënt en daardoor minder patiënten per bed per jaar. Ter vergelijking: in 1993 is de gemiddelde verpleegduur in de Frederik van Eeden Stichting 392,0 dagen, terwijl dat gemiddeld in Amsterdam op dat moment 14,2 dagen is.

Zorgkosten

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig ontstaat in Nederland het besef dat de zorgkosten de pan uit rijzen als er niets verandert aan het zorgsysteem. De kosten moeten beheerst worden. Beddenreductie is een expliciet uitgangspunt in deze tijd.

Tot 1972 groeit landelijk het aantal ziekenhuisbedden tot 75,5 duizend. Daarna gaat dat aantal dalen. Tussen begin jaren tachtig en 2000 stopt ook de groei van het aantal ziekenhuisopnamen. Hoewel dat aantal nog wel blijft schommelen, neemt het niet meer standaard elk jaar toe. Dat geldt ook voor Amsterdam. Overigens zou het aantal opnamen tussen 2001 en 2011 landelijk weer toenemen.

Ook fuseren ziekenhuizen in de jaren tachtig en negentig om kosten te besparen. Zo gaan het Wilhelmina Gasthuis en het Binnengasthuis samen in het AMC in 1981. Het pand van het Binnengasthuis wordt onderdeel van de Universiteit van Amtserdam. In het Wilhelmina Gasthuis vinden woningen en bedrijven onderdak. Ook het BovenIJ Ziekenhuis ontstaat in deze tijd uit een fusie. Ten slotte gaan het Sint Lucas Ziekenhuis en het Andreas Ziekenhuis in 1996 op in het Sint Lucas Andreas Ziekenhuis.

De afgelopen jaren waren er nog meer fusies. Amsterdam heeft nu vier ziekenhuizen: Antoni van Leeuwenhoek, BovenIJ Ziekenhuis, OLVG en Amsterdam UMC, waarbij de laatste twee meerdere locaties hebben. Naast elektrische liften en stopcontacten hebben deze ziekenhuizen ook voorzieningen zoals MRI-apparatuur, laboratoria om bijvoorbeeld celtherapieën te maken en 3D-printers. Zo maakt het OLVG nu met een 3D-printer braces voor scoliosepatiënten.